Boodschappen doen

Shopping – Boodschappen doen

English – Dutch

Can I have ten apples? Mag ik tien appels?  
Ten apples, please Tien appels, alstublieft 
I’d also like … Ik wilde ook nog … 
No, thank you, that’s it Nee, dank u, dat was het 
That’s all Dat is alles 
How much is it? Hoeveel is het? 
How much is that? Hoeveel kost dat? 
I’d prefer Ik wil liever 
It’s my turn! Ik ben aan de beurt! 
Can you help me? Kunt u me helpen? 
I’m looking for … Ik zoek … 
I’ll take that (this) one Die (deze) neem ik 
Have you got a bag for me? Heeft u een tasje voor me? 
Can you wrap it? Kunt u het inpakken? 
It’s a present Het is een cadeautje 
I’m just looking, if that’s allright. Ik kijk wat rond, als dat mag 
Can I try this on? Mag ik dit passen? 
Where’s the fitting room? Waar is de paskamer? 

Learn dutch for free

ChatClick here to chat!+