Answers “pronouns”

Pronouns – Answers



Pronouns – Answers

Exercise 1

Translate the English pronoun:
  1. Ik geef de pen aan hem
  2. Ze (zij) komen op visite bij ons
  3. We (wij) hebben haar al heel lang niet meer gezien.
  4. Heeft hij uw auto gerepareerd?
  5. Heeft zij je (jouw) brief al gelezen?

Exercise 2

Fill in the proper pronoun:
  1. Dag meneer Jansen. Hoe gaat het met u? Kunt u zich herinneren wanneer we voor het laatst bij mij koffie gedronken heeft? En hoe gaat het met uw vrouw? Ligt ze (zij) nog in het ziekenhuis? Ik heb haar vorige week een kaartje gestuurd – heeft ze (zij) dat al gekregen? Ik hoop dat ze (zij) zich snel zal herstellen.
  2. Dag Hans. Hoe gaat het met je (jou)? Heb je (jij) al gehoord dat Bert op vakantie is? Heb je (jij) al een kaartje van hem gehad? Weet je (jij) ook wanneer hij terugkomt?

Learn dutch for free