Reflexive verbs

Reflexive verbs

Observe this sentence:
Ik vraag me af wat hij doet (I wonder what he does).
In the form above, there is one sentence that contains a reflexive verb: the infinitive here, is zich afvragen (to wonder): if the dictionary states that zich (‘oneself’) belongs to a verb it means it’s a reflexive one. This is a kind of verb that requires the subject to be an object too. In English, you can do this with some verbs (I’m washing myself, I find myself …, I’m exerting myself), but in Dutch you have to do this to quite a lot of verbs.
A few examples:

  • zich herinneren – to remember
  • zich schamen – to be ashame
  • zich vergissen – to be mistaken
  • zich verheugen op – to look forward to
  • zich voorstellen – to imagine

Some other verbs can be reflexive: they require an object and this could be the subject. Examples:

(zich) bewegen – to move
(zich) scheren – to shave
(zich) wassen – to wash

Here are some phrases with these verbs. Note that the refexive pronoun is always placed after the first verb:

Ik herinner me zijn naam niet.

Zij schaamde zich diep voor haar fout.

Hij heeft zich helemaal vergist.

Zij zal zich verheugen op haar huwelijk.

Kun je je voorstellen hoe zwaar zijn leven is?

Hij kan zich niet meer bewegen.

Zij heeft zich vandaag nog niet geschoren.

Hij wast zich elke ochtend.

The reflexive pronouns you need for the reflexive verbs are listed below:

subject reflexive
ik me
jij je
u zich
hij zich
zij zich
het zich
wij ons
jullie je
zij zich

Learn dutch for free

ChatClick here to chat!+