Exercise 201-2 - Answers

Part 1 - What are the plurals and diminutives?

  1. het land - de landen - het landje
  2. de stad - de steden - het stadje
  3. de berg - de bergen - het bergje
  4. de vrouw - de vrouwen - het vrouwtje
  5. het boek - de boeken - het boekje
  6. het huis - de huizen - het huisje
  7. de druif - de druiven - het druifje
  8. de boot - de boten - het bootje
  9. de deur - de deuren - het deurtje
  10. de radio - de radio's - het radiootje

Part 2 - What are the infinitives and what do they mean?

  1. het land grenst - grenzen - to border, to be next to
  2. hij ligt - liggen - to lie
  3. ik vind - vinden - to find
  4. ik kijk - kijken - to look
  5. aangeduid - aanduiden - to denote, to indicate
  6. het wordt - worden - to be, to become
  7. hij heeft - hebben - to have
  8. jij leest - lezen - to read
  9. gedaan - doen - to do
  10. zij schrijft - schrijven - to write