Exercise 203-2 - Grammar and vocabulary training

Part 1 - Combine these sentences, using the (conjunction word):

Example:

  1. Wij gaan naar het strand als het mooi weer is.
  2. Hij heeft weinig geld omdat hij geen werk heeft.
  3. Hij rookt terwijl hij zit op de fiets zit.
  4. Hij at een banaan toen hij naar de radio luisterde.
  5. Hij ziet niets want hij heeft zijn bril niet op
  6. Hij gaat naar huis en ik blijf hier.
  7. Zij kan niet komen maar morgen kan ze misschien wel.
  8. Hij heeft weinig geld hoewel hij hard werkt.
  9. Ze gaat naar de kapper voordat ze naar haar werk gaat.
  10. Wij eten ijs nadat we soep eten.

Part 2 - Which word doesn't belong here?

Example:

  1. rood - groen - kaas - blauw
  2. lopen - fietsen - rijden - eten
  3. liggen - leren - staan - zitten
  4. steen - hout - ijzer - grens
  5. ijzer - goud - hout - koper
  6. voet - hand - schoen - knie
  7. hoed - klomp - schoen - laars
  8. broek - jas - schoen - pen
  9. mooi - leuk - lekker - lelijk
  10. nieuw - land - provincie - stad