Exercise 204-2 - Grammar and vocabulary training

Part 1 - Fill in the right form of the (verb), both in present and past:

Example:

  1. Gerard (komen) altijd te laat.
  2. (lopen) je naar je werk?
  3. Hij (kijken) de hele avond naar de televisie.
  4. Ik (eten) dinsdag bij Karin.
  5. Hij (moeten) naar de wc.
  6. Jij (mogen) niet in die kamer komen.
  7. (hebben) hij veel geld?
  8. Nicole (werken) de hele dag.
  9. (spreken) u Nederlands?
  10. Hij (drinken) altijd bier.

Part 2 - Fill in the right preposition.

Example:

  1. Ik fiets ... school.
  2. Ik geef het boek ... de leraar.
  3. Een kelder zit ... de grond.
  4. Ik werk ... IBM.
  5. Ik drink wijn ... het eten.
  6. Het is twee graden .../... nul.
  7. De boeken staan ... de kast.
  8. U spreekt ... Karel de Groot.
  9. Ik woon ... 1991 in Amsterdam.
  10. Jaques komt ... Zwitserland.