Exercise 204-2 - Answers

Part 1

  1. komt - kwam
  2. loop - liep
  3. kijkt - keek
  4. eet - at
  5. moet - moest
  6. mag - mocht
  7. heeft - had
  8. werkt - werkte
  9. spreekt - sprak
  10. drinkt - dronk

Part 2 -

  1. Ik fiets naar school.
  2. Ik geef het boek aan de leraar.
  3. Een kelder zit onder de grond.
  4. Ik werk bij IBM.
  5. Ik drink wijn bij het eten.
  6. Het is twee graden boven/onder nul.
  7. De boeken staan in de kast.
  8. U spreekt met Karel de Groot.
  9. Ik woon sinds 1991 in Amsterdam.
  10. Jaques komt uit Zwitserland.