Test level 2 - #04

Click on the answer you think is correct.

1. Which sentence is stating correctly that you never travel by bicycle?
   a) Ik nooit ga bij fiets
   b) Ik ga nooit bij de fiets
   c) Ik ga nooit met de fiets
   d) Ik ga nooit met fiets

2. What's does 'bijtellen' mean?
   a) to add
   b) to tell
   c) to build
   d) to gossip

3. Which one is correct?
   a) Komt je nooit in de stad?
   b) Je kom nooit in de stad?
   c) Kom nooit je in de stad?
   d) Kom je nooit in de stad?

4. What's 'almost' in Dutch?
   a) meestal
   b) altijd
   c) bijna
   d) meest

5. Which one means that you're understanding something?
   a) Ik snap het
   b) Ik sta het
   c) Ik besta
   d) Ik onderschat het

6. What's 'uitleggen'?
   a) to find out
   b) to unfold
   c) to lay down
   d) to explain

7. What does 'graag gedaan' mean?
   a) I'm done
   b) crack at down
   c) get things done
   d) my pleasure

8. What's a 'plattegrond'?
   a) a platform
   b) a city map
   c) a public transport ticket
   d) a tram or bus stop

9. How can you wish someone a lot of fun?
   a) Veel vangen!
   b) Veel plassers!
   c) Veel plezier!
   d) Veel noten!

10. What means 'right on top'?
   a) rechtop
   b) bovenop
   c) bovendien
   d) rechtuit